De roerende of onroerende goederen, verkregen ten bezwarende titel voor het vruchtgebruik door de overledene en voor de blote eigendom door een derde, worden voor de opeisbare successierechten geacht in volle eigendom in de nalatenschap van de overledene voorhanden te zijn en door de derde als legaat te zijn verkregen. Voor de effecten aan toonder of op naam, ingeschreven voor het vruchtgebruik op naam van de overledene en voor de blote eigendom op naam van een derde, geldt hetzelfde.
Dit principe geldt echter niet wanneer het bewezen wordt dat de verkrijging of de inschrijving geen bedekte bevoordeling ten behoeve van de derde is. (art. 9 W. Succ.)
Volgens de fiscus moest de blote eigenaar (de derde) in kader van het bewijs voorzien in art. 9 W. Succ. aantonen dat hij op het ogenblik van de verkrijging van de blote eigendom -meestal de voorafgaandelijk compromis bij onroerend goed– over voldoende eigen middelen beschikte. Verkreeg de blote eigenaar de middelen via schenking , moest er aangetoond worden dat de schenking plaatsvond vóór de ondertekening van de onderhandse overeenkomst, de compromis.
Sinds een nieuwe administratieve beslissing van 13 december 2007 wordt dit standpunt versoepelt en volstaat het voortaan dat de schenking gebeurt vóór de betaling door de blote eigenaar van zijn aandeel in de koopprijs. M.a.w. het tegenbewijs kan nu ook blijken uit een bewezen schenking tussen de datum van de compromis en de datum van de notariële koopakte.
Wel dient er opgelet te worden -zoals veelal het geval is– wanneer er bij de compromis een voorschot betaald wordt. Best kan er dan gestipuleerd worden dat het voorschot integraal als een voorschot op het prijs-aandeel van de vruchtgebruiker aangerekend moet worden. Of wanneer de blote eigenaar een deel van het voorschot dient te betalen dat hij minstens het bedrag daarvoor nodig op zijn bankrekening heeft staan op datum van de compromis.


