en | fr
Alaska wenst u een gelukkig nieuwjaar

‘Sterfhuisclausule’ nog niet begraven

Wanneer één van de echtgenoten terminaal ziek is en zich in de laatste fase van de ziekte bevindt kan, in extremis, om reden van successieplanning, de constructie met een sterfhuisclausule worden overwogen.

In de rechtsleer wordt er onder de zogenaamde ‘sterfhuisclausule’ verstaan: de toebedeling van het gehele of gedeeltelijke (meer dan de helft van het) gemeenschappelijk vermogen gedaan bij de ontbinding van de gemeenschap, om eender welke reden, aan één bepaalde echtgenoot (deze is daarom nog niet de langstlevende).

De sterfhuisclausule wordt in de rechtsleer gekwalificeerd als een huwelijksvoordeel, een voordeel verkregen door een echtgenoot uit de werking, samenstelling en verdeling van het huwelijkstelsel waarmee hem aanwinsten (en eventueel ‘inbrengen’) worden toegekend. Huwelijksvoordelen worden geacht onder bezwarende titel te zijn afgesloten en zijn niet vatbaar voor inkorting en inbreng, wat wel het geval is bij schenking.

In bepaalde door het Burgerlijk Wetboek voorziene gevallen (artikelen 1458, lid 2; 1464, lid 2 of 1465 BW) wordt een huwelijksvoordeel echter gedeeltelijk als een schenking beschouwd. De rechtsleer houdt voor dat de sterfhuisclausule niet onderworpen wordt aan successierechten aangezien overeenkomstig artikel 5 W. Succ. enkel successierechten verschuldigd zijn op de toebedeling aan de langstlevende echtgenoot van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen ‘op voorwaarde van overleving’.

Naar aanleiding van het vonnis van 18 oktober 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt was er echter twijfel gerezen over de niet-belastbaarheid van deze clausule en werd er tot voorzichtigheid aangemaand.

In zijn vonnis was de rechtbank te Hasselt van oordeel dat de ‘sterfhuisclausule’ niet kan worden onderworpen aan de successierechten op grond van artikel 5 W. Succ. omdat de wettekst zelf bepaalt dat de toebedeling op voorwaarde van overleving moet zijn.

Daarnaast was de rechtbank van oordeel dat een dergelijk beding van ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen – zijnde de sterfhuisclausule – echter in gevallen waarbij de bevoordeelde echtgenoot goederen verkrijgt die door de andere echtgenoot werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen of indien deze eigen goederen bezat bij het aannemen van het stelsel van algemene gemeenschap, niet meer beschouwd wordt als te zijn aangegaan als huwelijksovereenkomst maar op basis van art. 1464, lid 2 BW als een schenking wordt aangemerkt.

Het beding moet derhalve in de mate dat de bevoordeelde echtgenoot meer dan de helft van de door de andere echtgenoot ingebrachte goederen verkrijgt, als een contractuele erfstelling (zijnde een schenking van toekomstige goederen aan een echtgenoot, al dan niet bij huwelijkscontract) worden bestempeld.

Bijgevolg dienen volgens de rechtbank, overeenkomstig art. 2 W. Succ., successierechten te worden betaald op de helft van de waarde van de ingebrachte onroerende goederen.

Samengevat kan men stellen dat volgens de rechtbank een sterfhuisclausule, in principe, niet onderworpen is aan successierechten. De sterfhuisclausule is evenwel toch belast, op basis van artikel 2 W. Succ., als de grenzen van de artikelen 1458, lid 2; 1464, lid 2 of 1465 BW overschreden worden.

In zijn arrest van 24 juni 2008 besliste het Hof van Beroep te Antwerpen, in dezelfde zaak maar in graad van beroep, dat een sterfhuisclausule geen contractuele erfstelling is en bijgevolg niet aan successierechten onderworpen kan worden.

Het Hof is van mening dat wanneer de sterfhuisclausule de grenzen van de artikelen 1458, lid 2; 1464, lid 2 of 1465 BW overschrijdt, het surplus geen huwelijksvoordeel is maar evenmin een schenking. Volgens het Hof is het enige gevolg dat de surplus onderworpen wordt aan de regels van schenkingen of minstens aan de regels inzake inkorting. Aangezien het surplus geen schenking uitmaakt, kan er geen sprake zijn van een ‘contractuele erfstelling’ in de zin van artikel 2 W. Succ.

Het Hof komt tot deze stelling op grond van volgende argumenten:
- de sterfhuisclausule heeft betrekking op de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel die de samenstelling van de nalatenschap en geen beschikking uitmaken over toekomstige goederen van de nalatenschap;
- een contractuele erfstelling is een schenking waarvoor een animus donandi is vereist. De sterfhuisclausule kan in de mate dat ze de in voormelde artikelen grenzen overschrijdt, kunnen niet als schenking beschouwd worden. Bijgegevolg kan er geen animus donandi zijn en is er dus geen contractuele erfstelling.

 
Submit your comment

Please enter your name

Your name is required

Please enter a valid email address

An email address is required

Please enter your message

Alaska: more than you know, more than you think. © Alaska 2012, Alaska esv - BTW BE 0893.640.115 - RPR Dendermonde | All Rights Reserved sitemap

2012 - transvorm