In haar arrest van 27 februari 2007 deed het Hof van Beroep te Antwerp uitspraak over het toepassingsgebied van artikel 8 Wetboek Successie. houdende een levensverzekering waarbij de begunstigde (B) aangeduid werd als premiebetaler en de verzekeringsnemer (A) en de verzekerde (A) de vooroverleden echtgenoot was (zgn. configuratie:AAB). De echtgenoten waren gehuwd met scheiding van goederen.
Ontsnapt de begunstigde hier aan successierechten?
Volgens het Hof zijn er onvoldoende bewijzen om uit de voorliggende elementen te besluiten dat de overlevende echtgenote ook effectief zelf de premies heeft betaald. Artikel 8 W Succ. werd toegepast omdat de uitkering bij overlijden werd geacht kosteloos te zijn gebeurd waardoor het kwalificeerde als een roerend legaat ontvangen door de echtgenote.
Om artikel 8 W Succ. toepasselijk te maken dient er inderdaad sprake te zijn van een effectieve bevoordeling in hoofde van de begunstigde zonder dat hiervoor een tegenprestatie werd verricht.
Voor het Hof was het onvoldoende als bewijs van bezwarend karakter dat de begunstigde premiebetaler was en gehuwd was onder het stelsel van scheiding van goederen en het huwelijkscontract bepaalt dat de premies persoonlijke schulden zijn van de begunstigde. De begunstigde moet, volgens het Hof, effectief bewijzen dat de premies zelf werden betaald zonder verhaal tegen de verzekeringsnemer.
Om het vermoeden van artikel 8 W Succ. te ontkrachten zal het bewijs dienen geleverd te worden dat de uitkeringen verkregen bij de uitbetaling van de levensverzekering niet ten kostelose titel werden verkregen maar dat de premies de facto effectief betaald werden door de begunstigde. Conclusie: bewaar de uittreksels waaruit de effectieve betaling met eigen gelden blijkt!


