Het Europese Hof van Justitie heeft in een recent arrest (C-288/07, Isle of Wight, 16 september 2008) een beoordeling gemaakt van het begrip “concurrentieverstoring van enige betekenis” waardoor openbare besturen als btw–plichtige worden aangemerkt. In concreto ging deze zaak over BTW en inkomsten uit parkeervoorzieningen buiten de openbare weg.
Door artikel 39 van de programmawet van 27 december 2006 werd artikel 6 van het BTW – wetboek grondig herschreven, waardoor de BTW plicht werd ingevoerd voor de openbare besturen. Dit artikel voorziet echter dat de openbare besturen niet kwalificeren als een btw–plichtige voor de handelingen die ze als overheid verrichten én voor zover deze handelingen niet leiden tot een concurrentieverstoring van enige betekenis.
De administratie heeft in haar circulaire 24/2007 verduidelijkt dat opdat er sprake zou zijn van concurrentieverstoring van enige betekenis, volgende voorwaarden cumulatief dienen vervuld te zijn :
- het moet gaan om het verrichten van identieke handelingen als die van andere economische operatoren, voornamelijk uit de privésector; én
- het verrichten van deze handelingen leidt tot een belangrijke concurrentieverstoring ten nadele van de andere betrokken operator(en).
Het Hof van Justitie heeft in de zaak Isle of Wight andere criteria voorop gesteld om na te gaan wanneer er “concurrentieverstoring van enige betekenis” bestaat.
Een openbaar bestuur dat optreedt als overheid zal zich volgens het Hof de volgende vragen dienen te stellen om te beoordelen of de door haar verrichte werkzaamheden al dan niet kunnen aanleiding geven tot concurrentieverstoring van enige betekenis:
- Zijn er privéondernemingen die dezelfde of gelijkaardige werkzaamheden verrichten als de openbare besturen die handelen als overheid ? Dit onderzoek dient betrekking te hebben op het gehele grondgebied en is niet enkel lokaal te beoordelen.
- Als er geen privéondernemingen zijn die dezelfde of een gelijkaardige activiteit verrichten, dient onderzocht te worden of er een reële mogelijkheid bestaat voor potentiële concurrentie. De mogelijkheid dient reëel te bestaan en mag niet louter hypothetisch zijn.
- Als het antwoord op één van beide voormelde vragen positief is, dient onderzocht te worden of de concurrentieverstoring van meer dan onbeduidende omvang is.
Het Hof van Justitie heeft duidelijk een ruimere invulling gegeven van het begrip concurrentieverstoring dan de Belgische BTW–administratie.
Aangezien bij de beoordeling steeds dient uitgegaan te worden van de concrete feiten, die steeds geval per geval dienen onderzocht te worden, is het aangewezen om naast het standpunt van de Belgische BTW–administratie eveneens rekening te houden met de ruimere interpretatie gegeven door het Hof.


