De huidige wetgeving met betrekking tot de toekenning van aandelenopties aan werknemers bepaalt dat deze aandelenopties belastbaar zijn op het moment van toekenning.
Fiscaal valt het moment van de toekenning op de 60ste dag volgend op het aanbod van de opties. Sinds de wetwijziging van 2003 wordt de werknemer fiscaal geacht de optie te hebben geweigerd tenzij hij dit aanbod vóór de 60ste dag schriftelijk aanvaardt.
In de praktijk voorziet het optieplan vaak dat de werknemer het aanbod schriftelijk kan aanvaarden binnen een langere termijn dan 60 dagen, bijvoorbeeld 90 dagen.Het kan dus zijn dat de werknemer fiscaal geacht wordt de aandelenoptie te weigeren maar in werkelijkheid toch de aandelenoptie verwerft.
De vraag werd gesteld hoe de opties die na 60 dagen aanvaard werden, worden belast.
In de rechtsleer zijn hierover verschillende standpunten terug te vinden: ofwel valt de optie onder de gemeenschappelijke fiscale regeling, ofwel is er een herkwalificatie in een aandelenplan waarbij het prijsvoordeel dat de werknemer heeft bij aankoop van de aandelen, belast wordt als een voordeel van alle aard.
Dit laatste standpunt werd in het verleden onderschreven door de Minister van Financiën (PV 228 van 20 januari 2004 van volksvertegenwoordiger F. Bellot). Recentelijk kwam deze problematiek terug naar voor en dit naar aanleiding van een parlementaire vraag van de heer Van Biezen (PV nr. 86 van 28 april 2008).
De minister van Financiën brengt eerst in herinnering dat de aanvaarding van de optie na de 60ste dag fiscaal wordt geacht geweigerd te zijn door de begunstigde en bijgevolg ook niet onderworpen kan worden aan de belastingheffing toepasselijk op de aandelenopties.
Volgens de minister moet bij een latere lichting van de optie de regels toegepast worden zoals bij een verwerving van aandelen aan een verminderde prijs. Hierdoor verkrijgt de werknemer een belastbaar voordeel in het jaar van de verkrijging van de aandelen, dat aangemerkt dient te worden als een bezoldiging conform art. 31, tweede lid, 2° WIB 92.
De waarde van het voordeel wordt als volgt bepaald:
- bij niet beursgenoteerde vennootschappen: het verschil tussen de intrinsieke waarde van de verkregen aandelen en de werkelijk door de verkrijger betaalde prijs;
- bij beursgenoteerde vennootschappen: het verschil tussen de beurswaarde van de verkregen aandelen en de werkelijk door de verkrijger betaalde prijs.
Het voordeel dient opgenomen te worden in de individuele fiches en samenvattende opgaven.
De minister van Sociale Zaken sluit zich aan bij het hogervermeld standpunt van de minster van financiën. Volgens hem moet voor de socialezekerheidswetgeving de nadien gelichte aandelenoptie behandeld worden als voordelige aandelenplannen.
Omdat het voordeel onderworpen zouden zijn aan socialezekerheidsbijdragen is vereist dat het voordeel beantwoordt aan de wettelijke definitie van loon (i.e. geld of in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer recht heeft in gevolge zijn dienstbetrekking ten laste van de werkgever). Volgens de minister voldoen de voordelige aandelenplannen aan deze definitie en zijn ze aan socialezekerheidsbijdragen onderworpen.
Mits te voldoen aan bepaalde voorwaarden, zijn deze aandelenplannen echter niet onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen. In dit verband volstaat het te verwijzen enerzijds naar de Wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen (participatieplan en investeringsspaarplan) en anderzijds naar artikel 48 van de Wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (toekenning van aandelen met prijsreductie).


