De wet van 4 mei 2007 (BS 15 mei 2007) regelt het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaar en wil zorgen voor gelijkheid tussen Belgische en buitenlandse sportbeoefenaars. Deze wet is van toepassing sedert 1 januari 2008, en dus voor de eerste maal voor het aanslagjaar 2009.
De fiscale administratie heeft terzake reeds twee belangrijke circulaires gepubliceerd :
- 12 juli 2007 (Circ. Nr. AZF/2007-0448-1 (AZF 12/2007)) ;
- 21 november 2007 (Circ. Nr. Ci. RH. 244/587.755 (AOIF 45/2007)).
Vandaag het eerste deel van onze fiscale bijdrage over de bezoldigde sportbeoefenaars.
Regeling voor “oudere” sportbeoefenaars
Over welke beroepsinkomsten gaat het ? Artikel 171, 1° WIB ’92 bepaalt dat het de beroepsinkomsten betreft die betaald of toegekend worden aan :
1. sportbeoefenaars uit hoofde van hun sportieve activiteiten en voor zover zij op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 26 jaar bereikt hebben ;
2. scheidsrechters, uit hoofde van hun sportieve activiteiten als scheidsrechter tijdens sportwedstrijden ;
3. opleiders, trainers en begeleiders, uit hoofde van hun opleidende, omkaderende of ondersteunende activiteit ten behoeve van de sportbeoefenaars.
Een belangrijke voorwaarde is dat zij beroepsinkomsten verkrijgen uit een andere activiteit waarvan het totaal bruto belastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal bruto belastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit hun sportactiviteit.
Voor deze specifieke beroepsinkomsten die betaald worden of toegekend vanaf 1 januari 2008 voert de wet een afzonderlijke aanslag in aan het tarief van 33 %.
Het minimumloonbedrag dat men moet genieten om als betaalde sportbeoefenaar te fungeren, bedraagt € 8.175,00 voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008, en bedraagt € 8.505,00 voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009.
Regeling voor “jonge” sportbeoefenaars
Jonge sportbeoefenaars, vanaf 16 jaar maar jonger dan 26 jaar op 1 januari van het aanslagjaar, kunnen een beroep doen op een tarief van 16,5 %. Dit tarief is beperkt voor het eerste belastbaar inkomen tot € 16.300,00 voor het jaar 2008 (aanslagjaar 2009).
Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing
Om de investering in de opleiding van jonge sportbeoefenaars aan te moedigen is er in een vrijstelling voorzien van doorstorting bedrijfsvoorheffing van 80 % (verhoogd percentage: KB 20.12.2007 – BS 31.12.2007) wanneer bezoldigingen worden toegekend aan jonge en “oudere” sportbeoefenaars (art. 276/6 WIB ’92).
Voorwaarde voor de vrijstelling is dat de helft van de bedrijfsvoorheffing wordt besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars die minstens 12 jaar zijn, en de leeftijd van 23 jaar nog niet bereikt hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
De modaliteiten en voorwaarden worden besproken in voornoemde administratieve circulaire van 12 juli 2007.
Een voorafgaande aanvraag om te kunnen genieten van de vrijstelling van doorstortingsplicht is niet vereist. Dat blijkt uit een parlementaire vraag (Mond. Vr. nr. 646 Devlies, 11.12.2007, Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën, Com 045, 11 – 12).
De retroactieve wet houdende diverse bepalingen van 22 december 2008 (BS van 29 december 2008) zorgt ervoor dat deze vrijstelling ook van toepassing is op sportbeoefenaars die niet woonachtig zijn in België op voorwaarde dat zij gedurende meer dan 30 dagen in België een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen. Deze 30-dagengrens moet beoordeeld worden per schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing én per tijdperk van twaalf opeenvolgende maanden.
Sportbeoefenaars die niet woonachtig zijn in België én geen 30 dagen in België een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen, komen niet in aanmerking voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. In deze gevallen wordt een bevrijdende bedrijfsvoorheffing van 18% ingehouden op hun bezoldigingen.
Kosten eigen aan de werkgever
Men aanvaardt, volgens de normale regels, ook de kosten eigen aan de werkgever :
- vergoedingen bestemd om de uitgaven te dekken die worden gedaan ter gelegenheid van wedstrijden op verplaatsing of in het buitenland ;
- o.a. verplaatsingkosten, maaltijden, enz.
Zelfstandig sportbeoefenaar
Deze werkt niet onder “gezag en toezicht”. De gewone regels inzake de personenbelasting zijn voor deze categorie van toepassing.
Beroepskosten
Volgens artikel 49 WIB ’92 zijn kosten aftrekbaar als beroepskosten indien :
- de belastingplichtige de kosten heeft gedaan of gedragen tijdens het belastbaar tijdperk ;
- de kosten gedaan of gedragen zijn om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden ;
- de kosten verantwoord worden door middel van bewijsstukken of, ingeval dit niet mogelijk is, door alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Enkele voorbeelden die aan deze voorwaarden voldoen zijn de volgende :
- uitgaven voor specifieke beroepskledij : sportuitrusting met uitsluiting van de kleding die in het privé-leven doorgaans als stads-, avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskledij wordt aangemerkt ;
- afschrijvingen op trainings- en fitnesstoestellen ;
- kosten van medische begeleiding en verzorging, verzorgingsproducten, enz.
Indien men de beroepskosten niet bewijst heeft men vanzelfsprekend steeds recht op een forfaitaire aftrek (art. 51 WIB ’92).


