Een fiscale bijdrage over de bezoldigde sportbeoefenaar vraagt uiteraard dat toelichting wordt gegeven bij het belastingstelsel van toepassing op de sportbeoefenaar niet-inwoner. De wet van 4 mei 2007 (zie onze eerste bijdrage) heeft immers ook een aantal fundamentele wijzigingen aangebracht in het fiscaal statuut van de sportbeoefenaar niet-inwoner.
We sluiten dit artikel af met een aantal topics die ook voor sportbeoefenaars relevant zijn.
Sportbeoefenaars niet-inwoners
Vanaf 1 januari 2008 is het voordeeltarief van 18 % (bevrijdende bedrijfsvoorheffing) nog alleen mogelijk voor de sportbeoefenaar niet-inwoner die in België inkomsten behaalt over een periode van 30 dagen of minder, en dit berekend per schuldenaar van dat inkomen. Deze regeling geldt dus alleen nog voor korte sportmanifestaties.
Er dient een fiche 281.30 opgemaakt te worden en een opgave 325.30 te worden ingediend.
De sportbeoefenaars niet-inwoners die langer dan 30 dagen actief zijn in België worden voortaan fiscaal gelijkgesteld met de Belgische sportbeoefenaars. De programmawet van 22 december 2008 zet ook de discriminatie recht met sportbeoefenaars die inwoner zijn van België, hierdoor geldt een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing ook voor buitenlanders die gedurende meer dan 30 dagen in België een activiteit als sportbeoefenaar uitoefenen.
Dubbelbelastingverdragen
De dubbelbelastingverdragen voorzien (behoudens een aantal uitzonderingen) principieel in de toewijzing van de belastbaarheid van inkomsten van sportbeoefenaars in het land waar de sportactiviteit wordt uitgeoefend.
Weet dat het belastingverdrag tussen de U.S.A. en België onlangs is gewijzigd. In dit dubbelbelastingverdrag zijn de inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars belastbaar in de staat waar de activiteit wordt uitgeoefend, behalve in de volgende twee gevallen :
- indien de bruto-inkomsten, inclusief de vergoeding van eventuele kosten, niet meer bedragen dan 20.000 USD (of het equivalent in Euro) in het jaar waarin de betaling ontvangen is ;
- indien het contract op basis waarvan de prestaties worden geleverd, bepaalt dat de inkomsten worden betaald aan een andere persoon dan de artiest of sportbeoefenaar zelf. In dit geval behoudt de staat waar de activiteit wordt uitgeoefend evenwel de heffingsbevoegdheid, indien het contract ofwel zelf de artiest of sportbeoefenaar aanduidt die de prestaties moet leveren, ofwel aan de andere contractpartij de mogelijkheid geeft aan te duiden wie de prestaties moet leveren.
Sportbeoefenaars onder de vorm van een vennootschap
Men kan als sportbeoefenaar een rechtspersoon oprichten waarin één of meerdere sportlui hun activiteiten uitoefenen in naam en voor rekening van de vennootschap. Wanneer de vennootschap geldig is opgericht en de wettelijke bepalingen worden nageleefd, zal de fiscus de winsten taxeren in de vennootschapsbelasting.
Via een wetswijziging van 22 juli 1993 werd evenwel een “antirechtsmisbruikmaatregel” (artikel 344, § 1 WIB ’92) ingevoerd ter voorkoming van misbruik van de vennootschapsvorm. Een aantal juridische constructies, die enkel bedoeld zijn om belasting te ontwijken, worden hiermee geviseerd.
Aandacht moet in deze trouwens geschonken worden aan de risico’s op sociaal vlak. De overheid kan immers voorhouden dat de structuur enkel is opgezet om RSZ-bijdragen te ontlopen. Als zij kan aantonen dat er sprake is van schijnzelfstandigheid en er de facto sprake is van een werkgever-werknemer relatie zal zij de achterstallige RSZ-bijdragen vorderen. Dit was bijvoorbeeld het geval met de relatie tussen de voetbalclub Club Brugge en de managementvennootschap Sofile van haar toenmalige trainer George Leekens
Voordelen van alle aard
Door het forfaitair karakter, kunnen een aantal ‘klassieke’ voordelen van alle aard ook interessant zijn voor sportbeoefenaars in loondienst :
- terbeschikkingstelling van een firmawagen ;
- gratis huisvesting ;
- kosteloze verstrekking van verwarming, electriciteit, PC, telefoon en GSM, internet, kledij, enz.
Groepsverzekering – extra-legaal pensioen
Artikel 145/3 WIB ’92 is ook van toepassing op de sportbeoefenaar. Dit artikel regelt de persoonlijke bijdragen die gestort worden in het kader van een groepsverzekeringsreglement. De uitkering van het pensioenkapitaal dient te gebeuren op de normale pensioenleeftijd.
Voor beroepsvoetballers werd deze leeftijd bepaald op 35 jaar (Circ. 25 oktober 1985, Bull. Bel. Nr. 645). Binnen de Profliga werd een specifiek groepsverzekeringsreglement afgesloten (CAO 7 juni 2006 betreffende de arbeidsvoorwaarden).
De minister van financiën liet weten dat de vraag of die leeftijd ook voor andere categorieën van beroepssportlui in aanmerking kan worden genomen, maar kan worden beantwoord als daartoe een omstandig dossier (met onder meer een afschrift van een groepsverzekeringscontract of pensioenreglement, opgave van de betrokken sportlui, bond en/of clubs) wordt ingediend.
Een groepsverzekering voorziet doorgaans in een aanvullend pensioen, een kapitaal bij overlijden, een invaliditeitsverzekering, een hospitalisatieverzekering, enz …
Het aanvullend pensioen voor de sportbeoefenaar ressorteert zonder meer onder de wet aanvullend pensioen (WAP) van 28 april 2003. Artikel 27 § 3 WAP voorziet in een bijzondere regeling met betrekking tot de pensioenleeftijd, waarbij de uitbetaling toegelaten is vanaf de leeftijd van 35 jaar.
De werkgeversbijdrage is slechts onderworpen aan een RSZ-bijdrage van 8,86 %.
Vergoeding vrijwilligers
Forfaitaire kostenvergoeding mag maximaal € 29,05 per dag bedragen en maximaal € 1.161,82 per jaar en per genieter.
Deze richtlijn geldt niet voor de vergoedingen van vrijwilligers voor wie reeds een aparte regeling bestaat.


