Gemengd gebruik van een onroerend goed: initieel volledige aftrek van BTW mogelijk?
Er is al behoorlijk wat animo geweest omtrent de problematiek van het gemengd gebruik van een onroerend goed door een BTW-plichtige. Gemengd gebruik wil zeggen dat het onroerend goed deels voor de economische activiteit wordt gebruikt (bijvoorbeeld 70%) en deels voor privédoeleinden (de resterende 30%).
In principe kan een BTW-plichtige slechts de aangerekende BTW in aftrek brengen voor zover de aangekochte goederen en diensten bestemd zijn voor zijn economische activiteit. Dit ‘bestemmingsprincipe’, zoals verwoord in artikel 45 W.BTW, is een basisregel in de BTW-wetgeving. Wanneer een BTW-plichtige goederen en diensten koopt die niet bestemd zijn voor zijn BTW-activiteiten, zal de BTW geheven op deze diensten en goederen in principe nooit in aftrek gebracht kunnen worden.
Simpel, niet ?
In ons voorbeeld houdt dit in dat de BTW-plichtige 70% van de aan hem aangerekende BTW in aftrek kan nemen. De overige 30% mag niet afgetrokken worden. Dit is de zgn. proportionele methode.
Stel nu echter dat onze BTW-plichtige op moment van de aankoop of oprichting van het onroerend goed (nog) niet weet of er een privégebruik zal zijn of niet precies weet hoe groot dit zal zijn. Kan hij de BTW dan initieel voor het geheel in aftrek brengen?
Voor de wetswijziging van 27 december 2006 diende een onttrekking of herziening te gebeuren wanneer de bestemming van de goederen of diensten waarvoor er door de belastingplichtige BTW in aftrek werd gebracht, wijzigt.
Verschil tussen een herziening en onttrekking
Een onttrekking van de goederen, voorzien in artikelen 12 en 19 §1 W.BTW, houdt in dat er een met belastbare handeling gelijkgestelde handeling plaatsvindt waarbij de goederen en diensten die initieel voor het bedrijf bestemd waren (en waarvoor een recht op aftrek bestond) naderhand (definitief) wordt aangewend voor doeleinden die vreemd zijn aan de economische activiteit van de BTW-plichtige, bijvoorbeeld het gebruik van een magazijn als woonloft. De wetswijziging van 27 december 2006 beperkt het toepassingsgebied van art. 19 § 1 W.BTW echter tot roerende goederen waardoor er geen sprake meer kan zijn van onttrekking bij onroerende goederen.
Er dient een herziening te gebeuren wanneer van het gebruik van een investeringsgoed wijzigt in functie van de oorspronkelijk verrichte aftrek. In dit geval zal de BTW-plichtige jaarlijks een correctie dienen uit te voeren op de oorspronkelijk verrichte aftrek. Met betrekking tot de roerende goederen bedraagt de herzieningstermijn 5 jaar, voor onroerend goederen is de herzieningstermijn 15 jaar.
Seeling nog toepasselijk?
Het Europees Hof van Justitie besliste in de zaak Seeling (8 mei 2003, C-269/00) dat het gedeeltelijk privégebruik van een gebouw dat volledig tot het bedrijf van de BTW-plichtige behoort, niet aan de voorwaarde van een vrijgestelde verhuur voldoet, maar dat er sprake is van een belastbare handeling, namelijk een onttrekking waarvoor er wel een recht van aftrek is.
De fiscale administratie erkende schoorvoetend de toepassing van de Seeling-leer maar hield voor dat dit enkel kon worden toegestaan aan natuurlijke personen die een bedrijfsgebouw deels privé gebruikten. Dit laatste is niet alleen betwist in de rechtsleer maar ook in recente rechtspraak (zie Rb. Gent van 3 oktober 2008).
Door de wetswijziging van 26 december 2006 is het volgens de administratie niet langer mogelijk om de Seeling-leer in België toe te passen. Volgens advocaat-generaal Jacobs bij het Hof van Justitie kan een lidstaat verplicht de proportionele methode opleggen indien voorzien is in een positieve herziening van de aftrek in geval dat het gebruik voor economische doeleinden naderhand zou stijgen. Echter volgens het huidige standpunt van de administratie kan geen positieve herzieningen gebeuren. Toegepast heeft dit tot gevolg dat bij een daling van het privégebruik naar 20%, er geen herziening ten voordele van de BTW-plichtige mogelijk is via rooster 62 (wat een bijkomende aftrek van BTW zou betekenen van 10%). De reden voor dit standpunt is dat initieel het onroerend goed maar slechts voor 70% voor beroepsdoeleinden werd bestemd.
De vraag is echter gesteld in de rechtsleer (zie onder meer B. Beulens, S. Ruysschaert en Y. Bernaerts, The continuing story of … Seeling, AFT 2007.4, 3-13) of de aanpassing van art. 19 §1 W.BTW geen afbreuk doet aan het recht van BTW-plichtige om een onroerend goed volledig als bedrijfsgoed aan te merken ondanks een gemengd gebruik. Volgens deze rechtsleer dient de vraag positief beantwoord worden. Bijgevolg kan volgens deze auteurs de BTW nog steeds volledig afgetrokken worden. Nadien zal er een correctie dienen te gebeuren ten voordele van de Staat voor het gedeeltelijk privégebruik via de techniek van de herziening.
Deze rechtsleer stelt dat de aftrek van de betaalde BTW bij onroerende goederen nog mogelijk is voor 100% mits het privégebruik naderhand gecorrigeerd wordt via herzieningen in het voordeel van de Staat. In ons voorbeeld zal er een herziening dienen te gebeuren via rooster 61 van de BTW-aangifte door opname van een bedrag gelijk aan 1/15 van de 30% van de BTW op de kosten met betrekking tot dit onroerend goed.
Tags: BTW, herziening, onroerend goed, recht op aftrek
June 4th, 2010 at 10:46 am
Oprichting gebouw door belastingsplichtige eenmanszaak aannemer, belastingsplichtige trekt btw af.
Gebouw wordt niet verkocht maar verhuurt. Belastigsplichtige stort via vak 61 de oorspronkelijk afgetrokken Btw terug (herziening).
Later onttrekt belastingsplichtige het gebouw (termijn verstreken voor aanmerking nieuw gebouw) aan zijn vooraad (onroerende goederen eenmanszaak aannemer) moet hij dan nogeens btw betalen of registratierecht (geldt principe dat geen tweemaal belasting kan geheven worden op hetzelfde ) ?