Volgens de fiscale administratie en haar voogdijminister kan een vennootschap vrijwillig verzaken aan de notionele interestaftrek. Dit heeft wel tot gevolg dat deze verzaking definitief is en dat het niet gebruikte deel niet naar de volgende jaren kan worden overgedragen.
Het lijkt misschien raar maar soms kan een vennootschap toch baat hebben om aan (een gedeelte van) de notionele interestaftrek te verzaken. Dit komt voornamelijk voor wanneer de vennootschap opereert in een internationale context.
Stel dat een Belgische dochtervennootschap optreedt als financieringsvehikel van een internationale groep en een lening toekent aan een Nederlandse gelieerde onderneming. Normaal zal de rente die de Nederlandse onderneming betaalt over de lening fiscaal in aftrek kunnen worden gebracht van het Nederlandse resultaat. Door een hervorming van de Nederlandse vennootschapbelasting zijn er nu echter voorwaarden gesteld aan de aftrekbaarheid van de rente. In Nederland zal, op grond van de nieuwe wetgeving en in de gegeven omstandigheden, de rente principieel niet aftrekbaar zijn.
De rente is in Nederland wel aftrekbaar indien de ontvangen rente in hoofde van de Belgische vennootschap wordt belast tegen een winstbelasting van 10% of meer. Indien niet voldaan aan deze voorwaarde, is de rente slechts aftrekbaar wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat er zakelijke overwegingen aan de grondslag liggen van de lening.
Tevens voorziet de nieuwe regeling in Nederland in een deelnemingsvrijstelling (toepasselijk op alle aandelenbelangen van 5% of meer). De Belgische passieve dochtervennootschap die onder de deelnemingsvrijstelling valt, moet vanuit het Nederlands standpunt onderworpen zijn aan een belastingheffing die voldoende effectief is. Indien hieraan niet voldaan is, zal de verrekeningsmethode worden toegepast i.p.v. de deelnemingsvrijstelling.
In een ruling is de administratie dieper ingegaan op het gedeelte dat niet overdraagbaar is. In de rechtsleer was de vraag gesteld naar aanleiding van een parlementaire vraag, of men het gedeelte van de notionele interestaftrek dat niet kon worden afgetrokken (wegens onvoldoende belastbare winst) ook verloren ging wanneer de vennootschap verzaakte aan een deel van haar notionele interestaftrek.
Een voorbeeld kan verduidelijking brengen: een vennootschap heeft recht op een notionele interestaftrek van 100. Haar fiscaal resultaat (na DBI-aftrek) bedraagt 70. Stel dat de vennootschap verzaakt aan 20 en in haar aangifte slechts 50 aan notionele interest aangeeft. Deze 20 is niet overdraagbaar en gaat definitief verloren. Voor de 30 (100-70) was er onduidelijkheid gerezen of deze ook verloren ging of deze toch overdraagbaar is naar volgende jaren. De rulingdienst van de administratie heeft beslist dat deze 30 toch overdraagbaar zijn op grond van 205quinquies WIB ’92. (Voorafgaandelijke Beslissing nr. 800.202 van 2 september 2008)


