Om de doelstellingen van de Moeder-Dochterrichtlijn te realiseren (bevorderen van groepsvorming op EU – niveau, vermijden van dubbele belasting op winstuitkeringen van dochter- aan moedervennootschap) hebben de lidstaten de keuze uit 2 systemen.
Artikel 4, lid 1 van deze richtlijn legt de lidstaat van de moedermaatschappij op, ofwel om zich te onthouden van belasting van de door de dochter uitgekeerde winst (vrijstellingsmethode), ofwel toe te laten dat het gedeelte van de belasting van de dochter dat op die winst betrekking heeft, van de belasting van de moeder afgetrokken wordt (verrekeningsmethode).
De lidstaat heeft dus de keuze tussen de verrekenings- of de vrijstellingsmethode. België heeft geopteerd voor laatstgenoemde methode.
België beperkt de vrijstelling tot de tijdens het belastbare tijdperk aanwezige winsten. Het Belgische DBI – stelsel is onverenigbaar met de Europese Moeder-Dochterrichtlijn, omdat de vrijstelling bij dividenduitkering bij verbonden ondernemingen, niet volledig kan worden benut. De DBI aftrek, ten belope van 95 % van de ontvangen dividenden, wordt immers beperkt tot de winsten van het belastbaar tijdperk.
Dat betekent dat als de dividendontvangende vennootschap negatieve resultaten boekt uit haar overige activiteiten, haar overdraagbare verliezen verminderd worden. Die vermindering van overdraagbaar verlies, die voorkomt uit ontvangen maar niet vrijgestelde dividenden, wordt onbenutte DBI genoemd.
De Moeder-Dochterrichtlijn diende op een juiste wijze op 1 januari 1992 te worden omgezet in de Belgische rechtsorde. De uitspraak van het Hof van Justitie van 12 februari 2009 impliceert dat België 18 jaar te laat is om de Moeder-Dochterrichtlijn te implementeren.
Enkel de ondernemingen die bezwaar hebben ingediende omwille van de strijdigheid van de Belgische DBI-regeling met de Moeder-Dochterrichtlijn kunnen op basis van voormeld arrest tegen de overheid een vordering instellen tot terugbetaling van onterecht betaalde vennootschapsbelasting.


