Een recente uitspraak van het Hof van Beroep van Gent stelt dat het niet verkrijgen van huurinkomsten van een onroerend goed niet gelijk staat aan de toekenning van een voordeel alle aard.
Naar aanleiding van een fiscale controle stelde de fiscus vast dat de vennootschap eigenaar was van een onroerend goed waarvoor geen huurinkomsten gevorderd werden. De kosten van de nutsdiensten stonden op naam van de zaakvoerder. Derhalve concludeerde de taxatiedienst dat de woning wel degelijk een voordeel opleverde voor de zaakvoerder. Op basis van artikel 36 WIB ’92 (andere dan in geld verkregen voordelen) en artikel 18 KB/WIB ’92 (forfaitaire ramingsregels voordelen alle aard) werd het voordeel vastgesteld en berekend.
De zaakvoerder was het hier echter niet mee eens en trok naar het Hof van Beroep te Gent.
Volgens het Hof moet er gekeken worden of de zaakvoerder wel degelijk een voordeel krijgt. Het louter betalen van elektriciteits- en waterfacturen bepaalt niet dat de zaakvoerder effectief beschikt over het onroerend goed. Het wijst eerder op kosten die gemaakt worden om het onroerend goed in stand te houden, eventueel met het oog op verhuur of verkoop.
Ook het feit dat de zaakvoerder naderhand zijn domicilie liet wijzigen naar het pand bewijst niet dat hij over de gecontroleerde periode een effectief voordeel genoot.
De conclusie van het Hof is dat de taxatiedienst enkel een voordeel kan belasten wanneer de betrokkene ook effectief een voordeel heeft genoten. Aangezien in dit geval het bewijs niet geleverd is zijn de betwiste aanslagen vernietigd.
In het verleden nam de rechtspraak een gelijkaardig standpunt in bij de belasting van voordelen bij het gebruik van personenwagens. Het is niet omdat de wet voorzien in forfaitaire regels dat noch de fiscus, noch de zaakvoerder van het standpunt moeten uitgaan dat er een effectief voordeel wordt genoten.
Gent, 3 maart 2009


