en | fr
Alaska wenst u een gelukkig nieuwjaar

De familiale vrijstellingssfeer inzake successierechten (2/2)

schaak meerdereUit deel 1 van deze bijdrage blijkt voldoende dat de participatie –, kapitaals – en tewerkstellingsvoorwaarde een conditio sine qua non wil men zich beroepen op de vrijstelling inzake successierechten.

Enkele bijkomende aspecten in verband met artikel 60bis W.Succ. mogen echter niet over het hoofd worden gezien.

Personeel toepassingsgebied

Artikel 60bis W.Succ. is van toepassing op Vlaamse erflaters. Dit wil zeggen dat de erflater gedurende de laatste 5 jaar voor het overlijden in Vlaanderen zijn fiscale woonplaats moet hebben gehad. Uit de gevestigde rechtspraak, gebaseerd op onder andere het Wetboek der (Vlaamse) Successierechten en de Bijzondere Financieringswet, volgt dat er voor de fiscale woonplaats vereist is dat er een zekere bestendigheid en continuïteit aan de dag wordt gelegd.

Concreet heeft dit tot gevolg dat wanneer de overledene tijdens deze 5-jarige periode voor zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats in meer dan één gewest heeft gehad, men gaat kijken naar dat gewest waar de fiscale woonplaats het langste gevestigd is geweest. Dit laatste houdt een anti-misbruikbepaling in om te vermijden dat erflaters aan “domicilie-shopping” gaan doen.

Materieel toepassingsgebied

Het artikel handelt over de vererving van aandelen, activa en vorderingen op de familiale vennootschap, tegen een nultarief zonder dat voorwaarden worden gesteld in verband met de wijze van vererving. Met andere woorden, de vererving kan gebeuren op basis van het wettelijke erfrecht, dan wel via een testament.

Het is zelfs mogelijk dat het artikel toepassing vindt indien de goederen op basis van een fictiebepaling geacht worden tot de nalatenschap te behoren, en verkregen zijn door de begiftigde door middel van een door artikel 7 W.Succ. geviseerde schenking binnen de drie jaar voor het overlijden of door de langstlevende echtgenoot op basis van een verblijvingsbeding in een huwelijkscontract (art. 5 W.Succ.).

Ingevolge het eerder genoemde arrest Vogten-Geurts en de hierop volgende gewijzigde tewerkstellingsvoorwaarde (lees de ingevoerde voorwaarde inzake loonlasten) is de voorwaarde van behoud van het aandelenbezit in handen van de oorspronkelijke erfgenamen afgeschaft. Overdracht van de vererfde aandelen is dus mogelijk, maar slechts in de gevallen dat het overlijden plaats vond na 1 november 2007.

Spontaniteit wordt beloond

Het nultarief is slechts van toepassing indien in de aangifte van de nalatenschap uitdrukkelijk wordt verzocht om de toepassing van artikel 60bis W.Succ., zo niet is het nultarief niet van toepassing. De aandelen of vorderingen moeten spontaan in de aangifte worden opgenomen (dit geldt ook voor de bewijsstukken: het is daarbij belangrijk dat de aanwezigheidslijsten op de (jaar-)vergadering van aandeelhouders worden ondertekend en bijgehouden).

Dit principe geldt eveneens voor de aandelen die in de drie jaren voor het overlijden werden geschonken en waarvoor geen schenkingrechten werden voldaan; als zij spontaan worden opgenomen in de aangifte van nalatenschap en als alle vrijstellingsvoorwaarden zijn vervuld, komen ook zij in aanmerking voor het nultarief.

Het begrip “spontaan” moet restrictief geïnterpreteerd worden. Algemeen gesproken moet men de opgave doen in de eerste aangifte van nalatenschap, tenzij de erfgenamen bijvoorbeeld later zelf nog bijkomende aandelen ontdekken, en deze spontaan aangeven.

Over moeders, dochters en kleindochters

Ook de aandelen in een vennootschap die zelf aandelen houdt in een familiale vennootschap, met andere woorden: een holding, kunnen in aanmerking komen voor de vrijstelling mits de holdingvennootschap haar zetel heeft binnen de Europese Economische Ruimte. De voorwaarden kunnen vervuld zijn op het niveau van de holding, dan wel op het niveau van de dochtervennootschap. Dit verschil is belangrijk om op te merken.

Het is mogelijk dat een holdingvennootschap die zelf niet beantwoordt aan de voorwaarden van art.60bis W.Succ., toch als een familiale vennootschap wordt beschouwd indien ze aandelen en/of vorderingen houdt in een dochtervennootschap die wel voldoet aan alle voorwaarden. Enkel de waarde van de familiale vennootschap wordt vrijgesteld, met andere woorden, de vrijstelling zal gedeeltelijk zijn in die zin dat ze gaat over dat gedeelte van de waarde van de aandelen dat overeenstemt met de waarde van de onderliggende familiale (dochter)vennootschap.

Quid in geval van een kleindochter? Het lijkt dat de Vlaamse belastingsadministratie nog geen echt standpunt heeft ingenomen. Vaak wordt aangenomen dat de term ‘dochtervennootschap’ restrictief moet worden geïnterpreteerd waardoor kleindochtervennootschappen dus niet in aanmerking komen. Deze opvatting wordt in de praktijk echter betreurd, en lijkt ook niet te stroken met de bedoeling van de decreetgever.

Kunnen we ons, ter staving van het tegendeel, niet beroepen op artikel 6 van het Wetboek van Vennootschappen waarin wordt bepaald dat een dochtervennootschap elke vennootschap is ten opzichte waarvan er een controlebevoegdheid bestaat? In deze veronderstelling zou men ook van de vrijstelling kunnen genieten indien men te maken heeft met een kleindochtervennootschap die aan de voorwaarde van art. 60bis W.Succ. voldoet. Het is echter nog wachten op een duidelijk standpunt van de administratie om de voorspelbaarheid van de regelgeving te stimuleren.

Over de auteur
 
Submit your comment

Please enter your name

Your name is required

Please enter a valid email address

An email address is required

Please enter your message

Alaska: more than you know, more than you think. © Alaska 2012, Alaska esv - BTW BE 0893.640.115 - RPR Dendermonde | All Rights Reserved sitemap

2012 - transvorm