In zijn arrest van 16 september 2008 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen zich gebogen over de vraag of en wanneer een handelaar die een goed aankoopt, als een consument kan beschouwd worden.
Het vermoeden van artikel 2 van het Wetboek van Koophandel komt hier in aanvaring met de definitie van “consument” in de Wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (hierna: Handelspraktijkenwet).
Een handelaar camoufleert zich niet zo makkelijk als consument.
Overeenkomstig artikel 2 van het Wetboek van Koophandel, worden alle verbintenissen van kooplieden geacht daden van koophandel te zijn, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel.
De Handelspraktijkenwet definieert een consument als iedere persoon die uitsluitend voor niet-beroepsmatige doeleinden een product of dienst verwerft of gebruikt.
Wanneer een handelaar een goed aankoopt, dan wordt dit bijgevolg vermoed een daad van koophandel te zijn en kan de handelaar zich niet beroepen op het verzakingsrecht van de Handelspraktijkenwet. Dit verzakingsrecht voorziet dat een consument het recht heeft om binnen de zeven werkdagen zonder kosten van zijn koop af te zien mits kennisgeving aan de verkoper per aangetekend schrijven.
Het tegenbewijs door de handelaar moet in concreto geleverd worden.
Volgens het Hof van Beroep te Antwerpen volstaat niet:
- de loutere bewering dat het aangekochte goed enkel aangewend wordt voor privé-doeleinden;
- het feit dat de handleiding van het product voorziet dat het product enkel bestemd is voor huishoudelijk gebruik;
- het ontbreken van een bedrijfsmatig ingericht lokaal waarin het goed kan worden gebruikt.
Daarnaast beschouwt het Hof van Beroep als argumenten pro daad van koophandel:
- op de factuur wordt als facturatieadres de zetel van de handelszaak vermeld;
- op de factuur wordt als leveringsadres eveneens de zetel van de handelszaak vermeld;
- op de factuur is melding gemaakt van “drie jaar garantie (zelfstandige vrije beroepen)”;
- de factuur werd gericht aan de handelszaak en aanvaard (dus niet geprotesteerd).
Het bewijzen van uitsluitend niet-beroepsmatige bestemming van het aangekochte goed is geen eenvoudige zaak. Vooral wanneer een huishoudelijk product wordt aangekocht en de privé-woning gedeeltelijk beroepsmatig wordt gebruikt, zal het tegenbewijs moeilijk hard te maken zijn.


