In het Vlaamse Decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009 (bekendgemaak in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2010) heeft de Vlaamse decreetgever het artikel 60bis van het Wetboek van Successierechten voor de successievrije vererving van familiale ondernemingen of vennootschappen herwerkt. In een vorige bijdrage werd reeds de versoepeling van de loonlastenvoorwaarde behandeld.
Hierna wordt de herformulering van de participatievoorwaarde onder de loep genomen.
In de eerste paragraaf van artikel 60bis W.Succ. wordt in de participatievoorwaarde duidelijk gesteld dat de activa van de familiale onderneming of de aandelen in en de vorderingen op een familiale vennootsdhap gedurende de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken en voor ten minste 50% dienen toe te behoren aan de erflater en/of zijn echtgenoot.
Voor de berekening van de drempel van 50% komen eveneens de activa en aandelen in aanmerking die in bezit zijn van de ascendenten en descendenten en hun echtgenoten, van zijverwanten tot en met de tweede graad en hun echtgenoten, en van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de erflater.
Het Decreet verduidelijkt eveneens dat het ononderbroken bezit gedurende drie jaar en de 50%-grens voor alle bedoelde familieleden samen dient beoordeeld te worden.
Concreet betekent dit:
(i) dat voor elk van de drie jaren vóór het overlijden tenminste 50% van de activa of aandelen in het bezit dienen te zijn van de erflater en de bedoelde familieleden samen;
(ii) dat ingeval van niet constant aandelenbezit enkel het laagste aantal aandelen dat in bezit was van de erflater en de bedoelde familieleden samen, voor de vrijstelling in aanmerking komt (dus niet noodzakelijk het aantal aandelen op het ogenblik van overlijden van de erflater); en
(iii) dat er gekeken wordt naar het totale bezit van alle bedoelde familieleden samen. De verschuivingen tussen de familieleden onderling doet de 50%-grens niet teniet.


