Teneinde successierechten op onroerende goederen te vermijden, wordt in de praktijk soms overgegaan tot de verkoop van de onroerende goederen in kwestie om vervolgens de verkoopprijs op de bankrekening van de begunstigden te storten.
Maar wat indien de voormalige eigenaar van de onroerende goederen komt te overlijden binnen de drie jaar na de verrichtingen? Inderdaad … dan loert de fiscus om de hoek met de fictiebepalingen van artikel 108 en artikel 7 van het Wetboek Successierechten.
In haar vonnis van 7 oktober 2009 (nr. 0920/1227) heeft de rechtbank van Hasselt geoordeeld dat de administratie bij de toepassing van deze fictiebepalingen niet te kort door de bocht mag gaan.
Artikel 108 W.Succ.
De fictie van artikel 108 W.Succ. voorziet dat de roerende goederen die deel uitmaken van het vermogen van de decujus binnen de drie jaar vóór het overlijden, op datum van overlijden nog steeds aanwezig zijn in dit vermogen en bijgevolg onderworpen worden aan successierechten.
Dit betreft evenwel een vermoeden juris tantum die door de erfgenamen met alle middelen van recht kan weerlegd worden.
De rechtbank van Hasselt oordeelt dat het bewijs van overschrijving op een rekening van één van de erfgenamen volstaat als tegenbewijs om aan te nemen dat de prijs van de verkochte onroerende goederen op datum van het overlijden niet meer tot het vermogen van de decujus behoorden.
Er is evenwel rechtspraak (waaronder rechtbank van Antwerpen, vonnis van 19 maart 2008) met een tegenovergestelde visie, zijnde dat de loutere boeking van de verkoopprijs op de bankrekening van de begunstigde even goed een loutere bewaargeving kan zijn. Hierbij verlaat de som het vermogen van de decujus niet.
Werden door overige rechtspraak niet aanvaard als tegenbewijs: de bewering dat de gelden waren opgebruikt om in het levensonderhoud van de decujus te voorzien, de bewering dat de gelden werden weggeschonken bij middel van handgift (bij dit laatste zou bovendien artikel 7 W.Succ. toepassing vinden).
De toepassing van artikel 108 W.Succ. blijft derhalve een feitenkwestie die door de rechter dient ingevuld te worden. Aangezien de bewijslast bij de belastingplichtige erfgenamen berust, zullen zij het tegenbewijs met voldoende feitenmateriaal dienen te staven.
Artikel 7 W.Succ.
De toepassing van artikel 7 W.Succ. zal het voorwerp uitmaken van een volgende bijdrage.


