In het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 17 maart 2009 (nr. 2009/79) stonden de verjaringstermijnen voor de aangifte van de nalatenschap ter discussie.
Het Hof van Beroep brengt duidelijkheid wanneer er sprake is van een regelmatige aangifte van nalatenschap waarbij de erfgenamen de fictiebepalingen van artikel 108 en artikel 7 van het Wetboek van Successierechten willen weerleggen.
Het artikel 137 W.Succ. voorziet in een (i) tweejarige verjaringstermijn ingeval van een regelmatige aangifte en een (ii) vijfjarige (voor onroerende goederen) of (iii) tienjarige (voor roerende goederen) verjaringstermijn ingeval van een onregelmatige aangifte waarbij bepaalde goederen niet werden aangegeven (hoewel wettelijk verplicht).
De ratio legis voor de drie verschillende verjaringstermijnen is gelegen in het feit dat de administratie ingeval van verzuim (onregelmatige aangifte) meer tijd nodig heeft om de belastbare elementen van de nalatenschap te achterhalen, waarderen en belasten.
In casu hebben de erfgenamen een bepaalde som niet aangegeven onder de hoofding “actief van de nalatenschap” maar wel onder de hoofding “weerlegging van het vermoeden van artikel 108 en van artikel 7 van het wetboek der successierechten”. Zij waren immers van mening dat deze som niet onderhevig was aan successierechten, hierbij het tegenbewijs leverend voor de fictiebepalingen van artikel 108 en artikel 7 W.Succ.
De administratie is van mening dat de erfgenamen het vereiste tegenbewijs niet leveren en dat er dus sprake is van verzuim, met de verlengde verjaringstermijn voor onregelmatige aangifte tot gevolg.
Het Hof van Beroep is van mening dat alle nodige gegevens door de administratie gekend waren op basis van de aangifte en deze dus als regelmatig dient beschouwd te worden. De tweejarige verjaringstermijn is bijgevolg van toepassing.
Belangrijk is dat onder “nodige gegevens” ook moet begrepen worden: de waardering van de belastbare elementen. In casu hadden de erfgenamen de verkoopprijs van het onroerend goed vermeld in de aangifte.
Conclusie: bij de aangifte van nalatenschap is het raadzaam om alle belastbare elementen voldoende te identificeren en te waarderen, ook al worden de fictiebepalingen van artikel 108 en artikel 7 W.Succ. weerlegd. De betwisting door de administratie van het tegenbewijs dient dan binnen de twee jaar te gebeuren.


