Dat de fiscus de inbreng van onroerend goed in een vennootschap, gevolgd door een verkoop van de aandelen van deze vennootschap, met argusogen bekijkt, voornamelijk op het vlak van de registratierechten, is niets nieuw onder de zon.
In haar vonnis van 8 oktober 2009 (nr. 0917/1313) heeft de rechtbank van Brussel uitspraak gedaan over de fiscale behandeling van de meerwaarde op de aandelen in dergelijke situatie. De fiscus beroept zich immers op de simulatieleer om de meerwaarde op de aandelen te belasten als een meerwaarde op onroerend goed.
De fiscus haalt aan dat de partijen niet alle gevolgen van de door hen gestelde rechtshandeling hebben aanvaard en dat de werkelijke beoogde transactie de overdracht van een onroerend goed betrof.
De rechtbank stelt evenwel dat simulatie enkel wijst op het niet reëel karakter van een transactie (schijnhandeling) en dat de intentie van de partijen niet terzake doet. Hiermee volgt de rechtbank de trend van objectivering van het begrip simulatie in het fiscaal recht.
De rechtbank verwijst bovendien naar de Brepols-doctrine: er is geen simulatie als de partijen met de bedoeling een voordeliger belastingstelsel te genieten en gebruik makend van hun vrijheid van overeenkomst, rechtshandelingen stellen die geen wettelijke verplichting schenden en waarvan zij zowel de fiscaalrechtelijke als de civielrechtelijke gevolgen hebben aanvaard.
Wanneer de partijen alle juridische gevolgen van hun rechtshandeling hebben aanvaard, kan er geen sprake zijn van simulatie. Teneinde simulatie aan te tonen, dient de fiscus derhalve de afwezigheid van affectio societatis te bewijzen, meer bepaald het ontbreken van de wil van de inbrenger om het onroerend goed te onderwerpen aan het bedrijfsrisico. De korte tijdsspanne tussen inbreng van het onroerend goed en de verkoop van de aandelen alsook de afspraken tussen partijen over de verkoop van de aandelen vóór de realisatie van de inbreng zijn voor de rechtbank slechts aanwijzingen en geen bewijzen.
Conclusie: de inbreng van onroerend goed gevolgd door de verkoop van de aandelen kan door de fiscus niet meer betwist worden op basis van simulatie wanneer de partijen de juridische gevolgen effectief aanvaarden en naleven, zonder dat de intentie van de partijen of de bedrijfseconomische finaliteit van de verrichting in beeld komen.


