De vruchtgebruiker van een onroerend goed heeft naast het gebruiksrecht annex recht van bewoning tevens het recht om de huuropbrengsten van dit onroerend goed op te strijken. Hiertoe dient de vruchtgebruiker uiteraard het onroerend goed in kwestie te verhuren.
Maar voor welke periode kan een vruchtgebruiker verhuren? De huurovereenkomst eindigt immers niet door het overlijden van de verhuurder en zal derhalve overgaan op de huidige blote eigenaars (welke immers volle eigenaars zullen worden bij het uitdoven van het vruchtgebruik). Kan de vruchtgebruiker de eigendomsrechten van de blote eigenaars bezwaren met een huur die pas een einde zal nemen lang na het uitdoven van het vruchtgebruik?
Het Burgerlijk Wetboek voorziet expliciet dat de blote eigenaars slechts gebonden zijn door de verhuring door een vruchtgebruiker alleen (dus zonder dat de blote eigenaars de huurovereenkomst mee ondertekenen) voor een maximale periode van negen jaar, ook al werd in de huurovereenkomst een langere duur toegekend door de vruchtgebruiker (artikel 595 B.W.). Met dien verstande dat de blote eigenaars slechts de huur dienen te respecteren voor de resterende periode van de negenjarige duur. De huurder heeft dus enkel recht op het genot gedurende de lopende periode van negen jaren.
Huurders die een huur van meer dan negen jaar beogen, vragen daarom best na bij de verhuurder in welke hoedanigheid (volle eigenaar of vruchtgebruiker) hij de huurovereenkomst afsluit. De toepassing van artikel 595 Burgerlijk Wetboek kan immers een grote schaduw werpen op de (vermeende) huurrechten van de huurder.



sabine
21 December, 2010
wat als in een handelshuurovereenkomst van negen jaar een artikel staat dat de erfgenamen, de partijen solidair én ondeelbaar de overeenkomst dienen te respecteren? Wat betekent dit op vlak van een mogelijke verlening van een handelshuur (indien de vruchtgebruikster,, nu helft eigenaar inmiddels zou zijn overleden) ? is dit een geldige reden om een huurhernieuwing te weigeren?