Op 28 januari 2010 moest de rechtbank van Hasselt zich uitspreken over de geldigheid van een bezwaarschrift dat via email was ingediend.
Meer en meer belastingplichtigen nemen hun toevlucht tot email om te communiceren met de belastingsadministratie. Dat levert nogal eens vragen op van de controle om “voor alle zekerheid” toch de gevoerde correspondentie per gewone post te bevestigen.
Het is dan ook interessant om weten wat de rechtspraak hierover denkt.
Artikel 366 van het Wetboek van Inkomstenbelasting 1992, vermeldt in dit verband enkel dat het bezwaar “schriftelijk” moet zijn.
De rechtbank van Hasselt ziet geen graten in de indiening van het bezwaarschrift per mail, omdat er in casu geen enkele twijfel bestond over de wil van de belastingplichtige om de aanslag te betwisten.
Daarenboven is de indiening van een bezwaarschrift sinds de hervorming van de fiscale procedure van 1999, geen procedurehandeling meer, vermits de gewestelijk directeur niet langer als onafhankelijke rechter oordeelt.
Op basis van dit laatste argument werd de oude rechtspraak van het Hof van Cassatie als zou een bezwaarschrift met de hand getekend moeten zijn, aan de kant geschoven. Dit vonnis van de rechtbank van Hasselt, ligt volledig in lijn met de rechtspraak van de hoven van beroep van Gent en Antwerpen.
Vanzelfsprekend geldt ook het gezegde “voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast” dus …


