Een goede huisvader wil een schenking doen aan zijn kinderen en let hierbij goed op dat elk kind evenveel krijgt. Hij wil immers niemand bevoor- of benadeligen.
Maar is dit wel zo? Wat ingeval van waardeschommelingen van de geschonken goederen? Wat met de wettelijke reserve van de kinderen? Hoe wordt het beschikbaar deel berekend? De kinderen zullen toch geen opleg verschuldigd zijn aan elkaar bij het overlijden van hun vader?
Kortom, de vraag stelt zich hoe onze goede huisvader de schenking kan doen aan zijn kinderen zonder zich over al deze vragen zorgen te hoeven maken.
Wanneer een ouder een schenking wenst te doen aan één of meerdere van zijn kinderen, dient hij rekening te houden met drie zaken:
1/ hij kan slechts beschikken over het beschikbaar deel van zijn nalatenschap (zijnde 1/2 indien 1 kind, 1/3 indien 2 kinderen en 1/4 indien 3 of meer kinderen)
2/ de grootte van dit beschikbaar deel wordt bepaald op de datum van overlijden en niet op de datum van de schenking
3/ bij de samenstelling van de te verdelen boedel (zogenaamde fictieve massa) op datum van overlijden worden mee in rekening gebracht: de waarde van de geschonken goederen op datum van overlijden van de ouder (dus niet de waarde op het ogenblik van de schenking).
Wanneer bij vroegere schenkingen het beschikbaar deel werd overschreden, dienen de begunstigden van deze schenkingen (een deel van) de waarde van de geschonken goederen opnieuw in te brengen zodat de wettelijke reserve van de benadeelde kinderen hersteld wordt.
Dit kan tot dramatische situaties lijden als de waarde van de geschonken goederen gestegen is door de persoonlijke inspanningen van het ene begunstigde kind, terwijl broer/zus de geschonkenen goederen heeft verkwist.
Evenzo wanneer de ouder schenkt aan één kind in de veronderstelling dat er nog voldoende zal overschieten voor de overige kinderen bij zijn overlijden, maar dit blijkt naderhand niet het geval te zijn.
Deze familiedrama’s kunnen vermeden worden wanneer de vader zijn schenkingen doet aan de kinderen vooruit en buiten deel en bij elke schenking de overige kinderen laat tussenkomen en toestemmen met de schenking (artikel 918 BW). Hierdoor doen de kinderen afstand van hun recht om de inbreng te vorderen van deze schenkingen bij het overlijden van de vader, ook al werd het beschikbaar deel overschreden.
Een kind kan dus zichzelf onterven door toe te stemmen met de schenking vooruit en buiten deel aan zijn broer/zus.


