en | fr
Alaska

De liquidatiereserve – een nieuw begrip in onze fiscaliteit

De programmawet van 19.12.2014, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2014, bepaalt de spelregels voor het aanleggen van een liquidatiereserve in een kleine vennootschap (art. 184 quater, lid 2 WIB92).

Deze maatregel treedt  in werking vanaf het aanslagjaar 2015. Voor boekjaren die afgesloten worden vanaf  31.12.2014 kan deze maatregel worden toegepast.

Onder de regering Di Rupo werd het algemeen tarief van de roerende voorheffing voor liquidatieboni en dividenden op 25% gebracht. Inzake de liquidatieboni voorzag zij wel in een tijdelijk overgangsregime, gekend onder de benaming “het vastklikken van de reserves” of “interne liquidatie” (art. 537 WIB92).  De reeds belaste reserves in de vennootschap konden onder de vorm van een dividend uitgekeerd worden aan de aandeelhouders met een heffing van 10% roerende voorheffing (in plaats van het normale tarief van 25%).  Daartegenover stond wel dat het ontvangen netto-dividend onmiddellijk in het kapitaal moest worden gebracht, via een kapitaalverhoging.  De ‘geïncorporeerde reserves’ worden vervolgens als fiscaal gestort kapitaal beschouwd, die na verloop van een wachtperiode van 4 (KMO’s) of 8 (grote vennootschappen)  jaar belastingvrij kunnen worden uitgekeerd. De mogelijkheid om van deze maatregel gebruik te maken is inmiddels verstreken.

De regering Michel I heeft besloten deze tijdelijke maatregel nu permanent te gaan invoeren, zij het onder een ietwat gewijzigde vorm.  Zij geldt enkel voor kleine vennootschappen ( art 15 W. Venn.)  en is – in tegensteling tot de tijdelijke maatregel van interne liquidatie – procedureel eenvoudiger.

De maatregel laat toe dat kleine vennootschappen jaarlijks hun winst (na vennootschapsbelasting), deels of volledig, kunnen toewijzen aan een zgn. ‘liquidatiereserve’. Dit kan echter niet zomaar: bij de aanleg van zo’n liquidatiereserve is een belasting van 10% van het gereserveerde bedrag verschuldigd.

Wanneer bij latere vereffening van de vennootschap de liquidatiereserve wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders, worden zij hierop niet meer getaxeerd. De heffing van 10% bij aanleg van de reserve maakt dan immers onmiddellijk de eindheffing uit. Anderzijds kan men  de liquidatiereserve ook aanwenden als dividendpolitiek.  Wanneer men de liquidatiereserve vroegtijdig uitkeert (dus voor de vereffening van de vennootschap)  aan de aandeelhouders onder de vorm van een dividend, betaalt men daarvoor een prijs: bij een uitkering binnen de 5 jaar, is een roerende voorheffing verschuldigd van 15% (waardoor de nominale belastingdruk in totaal  10 % + 15 % bedraagt); bij een uitkering  ná 5 jaar, is een roerende voorheffing verschuldigd van 5% (waardoor de nominale belastingdruk in totaal 10 % + 5 % bedraagt).

In realiteit ligt de belastingdruk iets lager gezien de roerende voorheffing berekend wordt op de netto-liquidatiereserve (zie voorbeeld). De termijn van 5 jaar wordt berekend vanaf het einde van het boekjaar waarin de liquidatiereserve is aangelegd. De aanleg van de liquidatiereserve is verbonden aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde, wat betekent dat het bedrag op een afzonderlijke passiefrekening moet worden geboekt.

Een voorbeeld:

Stel dat te bestemmen winst na vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2015 = 110,00 Euro bedraagt. De vennootschap beslist op de jaarlijkse algemene vergadering van mei 2015 om deze winst over te boeken naar een liquidatiereserve, mits betaling van 10% afzonderlijke aanslag. Netto wordt er dus 100 Euro liquidatiereserve geboekt, terwijl 10,00 Euro naar de fiscus gaat.

Gezien de liquidatiereserve voor boekjaar 2014 werd aangelegd, loopt de vijfjarige termijn tot 31 december 2019.

Indien een algemene vergadering voor eind 2019 beslist tot uitkering van het geheel van de liquidatiereserve van boekjaar 2014, dan zal de vennootschap op de 100 Euro nog 15% roerende voorheffing moeten inhouden, zodat de aandeelhouder 85 Euro netto ontvangt uit een winst na vennootschapsbelasting van 110,00 Euro. Dit komt neer op een totale belastingdruk van 22,73%, wat 2,27 % lager ligt dan de 25% die de wetgever vooropstelt.

Indien de beslissing tot uitkering pas in 2020 of later valt, zal de in te houden roerende voorheffing maar 5% bedragen, zodat de aandeelhouder 95 netto overhoudt uit een winst na vennootschapsbelasting van 110,00 Euro. Dit komt neer op een totale belastingdruk van 13,64%, hetgeen 1,36% lager ligt dan de 15% die de wetgever vooropstelt.

 
Submit your comment

Please enter your name

Your name is required

Please enter a valid email address

An email address is required

Please enter your message

Alaska: more than you know, more than you think. © Alaska 2012, Alaska esv - BTW BE 0893.640.115 - RPR Gent | All Rights Reserved sitemap

2012 - transvorm